08/09/2022
Zijn prinsesje
Voor mij de drie rechters. Direct naast mij, aan mijn rechterkant, mijn cliënt. Daarnaast de tolk en helemaal aan het eind van de tafel de pleegmoeder. Aan de tafel aan de andere kant, de linkerkant, achtereenvolgens de jurist van Jeugdzorg, de gedragsdeskundige van Jeugdzorg, de gezinsvoogd van Jeugdzorg en tenslotte de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming. Omdat er niet genoeg ruimte meer was aan deze tafel zitten de mevrouw van Pleegzorg en nog een vierde mevrouw van Jeugdzorg op de verder lege publieke tribune. In de rechtszaal drie mannen (mijn cliënt, de tolk en ik). Verder uitsluitend vrouwen. Tien vrouwen tel ik.
Vorige week hebben we deze zaak ook al behandeld. Toen heb ik zo’n stennis gemaakt dat de toen enkelvoudige rechter de zaak naar de meervoudige familiekamer heeft verwezen. Dat had ik ook al gedaan begin dit jaar, die stennis, toen er ineens een perspectiefbesluit bleek te zijn waarin was bepaald dat het perspectief niet meer bij de ouders zou liggen maar bij de pleegouders. De ouders zouden het gezag over hun kind verliezen en het kind zou in feite voor altijd in het pleeggezin blijven. Dat had Pleegzorg uitgerekend met behulp van de ‘Perspectiefboog’. Echter Jeugdzorg was vergeten mij dit stuk toe te zenden voorafgaand aan de zitting, toen in januari. Dit leidde er toe dat de zaak in februari opnieuw behandeld moest worden, hetgeen mij de tijd gaf om een vernietigende reactie op dit stuk op papier te zetten. En op zitting er nog eens overheen. Niets te verliezen meer. Geen tijd meer om aardig en voorzichtig te doen. Na al die jaren. Met succes, want de rechter ging nu eens niet mee met de deskundigen van de Raad voor Kinderbescherming en Jeugdzorg. De vertegenwoordigers van Jeugdzorg waren wat beduusd. Zij moesten van de rechter gaan onderzoeken waarom mijn cliënt (de vader) niet gewoon zelf zijn kind kon opvoeden. Hij had immers een vrouw, een baan, een woning, rookte niet, dronk niet, had geen schulden, geen strafblad en een zoon van inmiddels bijna drie met wie het uitstekend ging zonder hulp van welke instantie dan ook. Waarom zou hij zijn dochter van vier dan niet kunnen opvoeden?
Op een dag in maart 2019 kwam mijn cliënt thuis. Zijn vrouw was weg en de baby ook. Op de grond in de keuken lagen wat afgeknipte haren. Bij de politie kreeg mijn cliënt te horen dat zijn vrouw naar een geheime locatie was gebracht. Zij had aan de politie een verhaal verteld over mishandeling en verkrachting door haar echtgenoot. Kort daarna kwam mijn cliënt bij mij op bezoek en een maand later stonden we voor het eerst bij de rechter. De baby moest terug naar mijn cliënt. Dat was wat ik aan de rechtbank had verzocht. In 2018 was moeder er ook al eens met de baby vandoor gegaan waarna zij door de politie een park was aangetroffen met verderop in de bosjes de man met wie zij er vandoor wilde gaan.
De zaak werd onderzocht door Jeugdzorg en vastgesteld werd dat mijn cliënt heel goed in staat was om de baby liefdevol te verzorgen. De baby ging naar hem terug en de moeder mocht niet zonder toezicht bij de baby. Dat was toen.
De moeder kwam op de zitting voorlopige voorziening met een verweer dat er op neerkwam dat zij dagelijks verkracht en mishandeld werd door mijn cliënt en dat zij zich ook nog eens voor mijn cliënt moest prostitueren. Een verhaal dat goed genoeg was om een verblijfsvergunning te krijgen als slachtoffer van mensenhandel (B8 status).Verder zou zij in Spanje nog bevallen zijn van een drieling en een tweeling maar die zouden, afhankelijk van de versie die zij vertelde, zijn omgekomen bij een auto-ongeluk in Spanje, bij de grootouders in Marokko verblijven of helemaal niet geboren zijn in verband met een abortus waartoe zijn door mijn cliënt gedwongen zou zijn.
De Raad voor Kinderbescherming vond dat allemaal zorgwekkend en meende dat het kind voorlopig veilig zat bij moeder in het geheime opvanghuis en dat de zaak eerst onderzocht moest worden alvorens een beslissing te nemen op het verzoek van mijn cliënt om zijn dochter terug te krijgen. Verder werd er een beschermingsonderzoek ingesteld dat leidde tot een ondertoezichtstelling.
Die onderzoeken zijn er gekomen. Veel onderzoeken. Jarenlang. Mijn cliënt werd een jaar later opgehaald door de politie en in verzekering gesteld. Ik bezocht hem op het politiebureau en woonde het verhoor bij. De politie was er daarna snel klaar mee: sepot op code 1 (ten onrechte als verdachte aangemerkt). Dat was goed nieuws, omdat telkens door Jeugdzorg als argument werd gebruikt dat het politieonderzoek nog liep.
Ondertussen kreeg mijn cliënt op een gegeven moment weer de politie aan de deur. Of ze even zijn huis mochten doorzoeken of zijn ex-echtgenote daar niet zat. Zij bleek namelijk verdwenen uit de opvang. Dat leidde er vervolgens weer toe dat het kind nu bij de moeder (in de opvang) werd weggehaald en in een pleeggezin geplaatst. Wat mijn cliënt betreft had het kind gelijk naar hem terug gekund, maar daarvoor was natuurlijk weer nader onderzoek nodig. Maar het leek wel een stap voorwaarts. Nu was immers duidelijk dat de moeder geen goede kandidaat was om het kind verder op te voeden. Het duurde wel al lang, een jaar nu, maar het zou uiteindelijk de goede kant op gaan. Dacht ik. Vertelde ik mijn cliënt. Toen.
Maar de moeder vertelde aan de politie dat zij tijdens haar afwezigheid in het geheime opvanghuis verkracht was op straat door vier mannen met hoodies, waaronder mijn cliënt. Er was dus weer aangifte gedaan, vond de mevrouw van Jeugdzorg, dus er liep nog een strafvervolging, dus zij hoefde nog niet te gaan kijken of het kind terug kon naar mijn cliënt.
Uiteindelijk zei de Perspectiefboog van Pleegzorg dus dat het perspectief niet meer bij de ouders lag. Alles afpellend bleken de contra indicaties om het kind bij mijn cliënt terug te plaatsen 1) het bijna driejarige zoontje van mijn cliënt uit zijn nieuwe relatie had met een bal gespeeld tijdens een van de achtwekelijkse éénurige bezoeken van de dochter onder toezicht van de dames van Pleegzorg en er stond hete thee op tafel. Mijn cliënt had daar niet adequaat op gereageerd. 2) Mijn cliënt had wel eens gehuild toen hij zijn dochter na een maand of vijf weer zag op het kantoor van Jeugdzorg en hij had ook snoep meegenomen. 3) Omdat mijn client maar bleef strijden voor zijn kind en omdat partijen niet zelf tot een omgangsregeling met de moeder zouden kunnen komen zou het niet verantwoord zijn om het kind bij haar vader terug te plaatsen. Dat was het eigenlijk wel. De dame van Pleegzorg was heel stellig dat een kind niet aan zo’n persoon kon worden toevertrouwd. Ook al was het haar bloedeigen vader.
Ik zag al in de blik van die rechter, toen in februari 2022, een rechter met gezond verstand, dat dat er niet in ging. Jeugdzorg moest aangeven waarom het kind niet terug kon naar de vader. Dat was immers na de thee niet meer onderzocht. Jeugdzorg meende dat de Perspectiefboog (een soort stroomschema met vakjes en pijltjes) was toch duidelijk was. Het ging er niet in bij deze rechter. En verder gaf de rechter gelijk ook maar aan waarom het kind in ieder geval niet naar de moeder terug kon. Immers, als het waar was wat zij vertelde dan had zij het kind in groot gevaar gebracht door niets te doen en als het niet waar was dan zou er ook serieus iets mis zijn met haar. Ik had met het oog op deze zitting het complete strafdossier overgelegd met een gedetailleerde uitleg voor de civiele rechters en exact aangegeven waar het verhaal van de moeder ofwel innerlijk tegenstrijdig was of gewoon op basis van de feiten niet waar kon zijn. In de alle rapportages werd immers steevast opgenomen dat er sprake was geweest van huiselijk geweld, terwijl daar in het geheel geen aanwijzingen voor waren en het strafdossier eerder het tegendeel aangaf. Zij had bijvoorbeeld aan de politie verteld dat haar man wel 20 keer per dag seks met haar wilde hebben terwijl volgens haar maximaal 2 of 3 keer per dag normaal zou zijn. Ook werd zij dagelijks verkracht met allerlei groenten en daarbij mishandeld. Haar man zou haar hebben verwond met een mes. De politiefoto’s geven echter het onmiskenbare beeld van honderden krassen op armen en benen als gevolg van automutilatie.
Na de zitting in februari 2022 moest er dus onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om het kind (inmiddels vier jaar oud) bij de vader te plaatsen. Het bleef stil. Tot juni 2022, als Jeugdzorg aan de rechtbank vraagt om vervangende toestemming voor een onderzoek door het KSDC. Weer een nieuwe procedure. De moeder wilde haar toestemming niet geven en anders kon het KSDC niet aan de slag. Weer een zitting. Andere rechter. Die mee ging met het advies van de Raad voor Kinderbescherming om toch ook maar de moeder te betrekken in het onderzoek en toch weer te kijken naar haar geschiktheid om het kind op te voeden. Dit in weerwil van wat de vorige rechter hierover had gezegd.
Daar zitten we dus weer. Nu. September 2022. Het kind is zich aan het hechten in het pleeggezin. Het is vijf voor twaalf. Zes dames van Jeugdzorg, Pleegzorg en de Raad voor Kinderbescherming die allemaal eigenlijk vinden dat de pleegouders het kind beter kunnen opvoeden maar dat niet zeggen. En in plaats daarvan met allerlei abstracte flauwekul komen. En dat ze er nu al zo lang zit en dat ze het zo goed doet. Nog maar weer een onderzoek er tegenaan. Aanvankelijk zou het KSDC onderzoek in augustus 2022 aanvangen. Nu leggen zij uit dat het waarschijnlijk begin 2023 kan beginnen en dat het een paar maanden daarna klaar zal zijn. Waarschijnlijk. Waarvan ik openlijk betwijfel of dat het geval zal zijn.
Bij de zitting vorige week bleek dat ik wederom een nieuw rapport van de Raad voor de Kinderbescherming niet toegezonden had gekregen. Een rapport van een bladzijde of twintig. Met als conclusie dat een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment niet nodig was. Het rapport had mij een goede aanleiding gegeven om weer in stevige brief te schrijven aan de rechtbank. De meervoudige kamer nu. Een brief die zijn werk goed bleek te hebben gedaan. Jeugdzorg verscheen op zitting met een delegatie van vier waaronder de jurist. De voorzitter van de rechtbank begon met de brief. Of iedereen die ontvangen had. Ja. Of Jeugdzorg daarop wilde reageren. De jurist van Jeugdzorg nam het voortouw maar werd al snel onderbroken door de voorzitter. Wat zij vond van de opmerking van mr Trooster over dit en wat zij vond van dat. Het stokje werd als snel door de jurist doorgegeven aan de gedragsdeskundige die uiteindelijk op de concrete vragen van de voorzitter over wat er nu precies bij mijn cliënt was gezien dat er op wees dat hij niet geschikt zou zijn om zijn dochter op te voeden geen antwoord kon geven. Dat zou de mevrouw van Pleegzorg wel kunnen. Deze had er al op geanticipeerd. Zij had een verslag meegenomen van een geobserveerde ontmoeting van mijn cliënt met zijn dochter in het kantoor van Jeugdzorg. Zij begon het verslag voor te lezen. Erg duidelijk was het niet. Met veel moeite kon er uit worden gedestilleerd dat mijn cliënt te weinig oog had voor de specifieke behoeften van zijn dochter omdat hij bij haar er op had aangedrongen dat zij haar broertje een kusje zou geven en dat hij niet had gezien dat zij dat misschien eigenlijk nog niet wilde doen. Dat soort dingen. De meest rechtse rechter had een vraag. Over van wanneer het verslag was. Maart 2020. Tja. Pleegzorg was daarna immers gestopt met onderzoeken of het kind terug kon naar vader. En Corona, dat kwam er ook nog eens bij. Ja, helaas. En toen had het zo lang geduurd dat de aanvaardbare termijn voorbij was en er daarom een beslissing moest worden genomen dat het kind niet meer door de ouders zou worden opgevoed maar bij de pleegouders zou blijven. Dat had de Perspectiefboog immers uitgewezen.
En de gedragsdeskundige wist zeker dat het kind door de traumatische geb***tenissen schade opgelopen moest hebben en daardoor zou zij speciale behoeften hebben die de vader niet zou kunnen invullen. Waarom niet? Hij was niet leerbaar genoeg. Waar blijkt dat uit wilde de rechter weten? De mevrouw van Pleegzorg had het antwoord. Zij was laatst mee met het zeswekelijkse bezoek en toen gingen ze naar de speeltuin, gezellig, met oma erbij, broertje erbij, nieuwe echtgenote erbij, prima. Maar het kind had een zuurtje gekregen dat zij in haar wang bewaarde. En toen was zij op het glijbaantje gegaan. De mevrouw van Pleegzorg had daar iets van gezegd tegen mijn cliënt maar even later ging zij weer van het glijbaantje af. En het zuurtje was nog niet op. Dus niet leerbaar. Mijn cliënt.
De gedragsdeskundige was heel stellig: er moest sprake zijn van een trauma en ook een baby kan een trauma oplopen door traumatische geb***tenissen, daar was de literatuur heel duidelijk over. Ik had ook dit al afgepeld in mijn brief. Het kind heeft geen huiselijk geweld meegemaakt. Mijn client is een hele zachtaardige man die zijn stem nooit verheft en al helemaal geen geweld gebruikt. Verder zal de baby geen traumatische herinneringen hebben aan de reis met haar moeder naar het opvanghuis met allemaal aardige 'tantes'. Ook van het verdwijnen van haar moeder bij het opvanghuis zal zij weinig hebben gemerkt. Zij werd door een van de tantes opgehaald bij de kinderopvang en kort daarna zag zij haar moeder weer. De geb***tenis die mogelijk de meeste impact zal hebben gemaakt zal de uithuisplaatsing door Jeugdzorg bij het pleeggezin zijn geweest. Een leuk pleeggezin met andere kinderen. Dus dat zal ook wel meevallen.
Na ongeveer een half uur ben ik aan de b***t. Ik moet dingen herhalen. Alles is al opgeschreven. En gezegd in de afgelopen jaren. Toch doe ik het. Nu met gestrekt been er in. Geen tijd nu om vrienden te blijven met de dames. Het moet. De tijd van aardig doen tegen Jeugdzorg is voorbij. Mijn cliënt heeft niets meer te verliezen.
Mijn cliënt krijgt het woord. Ik schenk snel een glas water voor hem in. Na enkele zinnen gaat het niet meer. Hij moet onbedaarlijk huilen en trilt zo dat hij de beker water nauwelijks zonder te morsen bij zijn mond kan krijgen. Het enige wat hij wil is zijn prinsesje terug. Vertelt met horten en stoten dat hij de bezoekuurtjes opdeelt in drie stukken. Spelen, praten en contact met oma, broertje en zijn nieuwe echtgenote, een vlotte jonge vrouw. En dat het voor hem moeilijk is om altijd maar geobserveerd te worden tijdens de bezoeken. Hoe moeilijk het voor hem is om telkens maar vrij te vragen voor de bezoeken en de vele onderzoeken en gesprekken met de instanties. Die natuurlijk altijd onder werktijd moeten.
De rechtbank trekt zich terug in raadkamer. We zijn anderhalf uur verder. Zaak uitgelopen. Wachtenden op de gang.
Na een minuut of tien is de rechtbank terug. Het blijkt niet mogelijk om onmiddellijk uitspraak te doen. De rechtbank moet er nog goed over nadenken. Of mijn cliënt nog iets te zeggen heeft aan de rechtbank. Net lukte dat immers niet zou goed. Hij vraagt of hij foto’s mag laten zien aan de rechtbank. De rechters kijken elkaar even aan. Dat mag. Komt u maar naar voren. Ik loop met hem mee, buig mij over de tafel van de rechters om mee te kunnen kijken. Mijn cliënt prutst wat met zijn telefoon, de rechters schuiven wat naar elkaar toe. Eindelijk heeft mij cliënt de foto’s gevonden die hij wilde laten zijn. Een soort filmpje van foto’s. Met een muziekje er onder. Titel ‘Onvergetelijke momenten’. Mijn cliënt met zijn dochter op zijn arm kort voor zij door de moeder werd meegenomen. Beiden stralend. Dan wat latere foto’s. Mijn cliënt met zijn prinsesje. Hele lieve foto’s. De rechters moeten glimlachen en kijken het hele filmpje uit. De dames van Jeugdzorg kijken toe vanachter hun tafel, onbewogen.
Over drie weken uitspraak. Voor mijn cliënt is het er op of er onder. De tijd raakt op. Drie weken bange, slapeloze nachten. Over zijn prinsesje.