Heine & Van Oosten

Heine & Van Oosten Deskundig, betrokken, praktisch en betrouwbaar. De kernwoorden voor Heine & Van Oosten , uw financi?

Voor jouw persoonlijke advisering, fiscale dienstverlening en administratieve werkzaamheden, uw financiële partner op Voorne Putten.

Bevallingskosten als zorgkosten aftrekbaar?Een particulier heeft in zijn aangifte ruim € 1.100 specifieke zorgkosten afg...
02/09/2026

Bevallingskosten als zorgkosten aftrekbaar?

Een particulier heeft in zijn aangifte ruim € 1.100 specifieke zorgkosten afgetrokken die betrekking hebben op de bevallingskosten van zijn vrouw. Hun zoon is op de Filippijnen geboren. De Belastingdienst corrigeert de aftrek. Hoe oordeelt de rechter?

Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen als deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. In de wet is opgesomd welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. Onder specifieke zorgkosten vallen onder meer uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en geneesmiddelen.

De particulier heeft diverse afschriften van rekeningen die samenhangen met de geboorte van zijn zoon overgelegd. De facturen zijn onder meer van een gynaecoloog en een kinderarts. Hij heeft ook kosten van gezinshulp in aftrek genomen.

Oordeel rechter
De particulier heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van extra kosten van gezinshulp als bedoeld in de wet. Het gaat hier uitsluitend om kosten die samenhangen met de bevalling en die kosten zijn niet aftrekbaar als ziektekosten. Dit is uitdrukkelijk zo aangegeven in de parlementaire toelichting bij de totstandkoming van de wetgeving.

Deze kosten kunnen niet als specifieke zorgkosten in aftrek worden genomen.

Let op: Het kabinet is voornemens om de aftrek specifieke zorgkosten per 2028 helemaal af te schaffen.

Gebruikelijk loon voor werk in BV echtgenoteBij een belastingcontrole van een BV met een handel in bier, breezers en laa...
28/08/2026

Gebruikelijk loon voor werk in BV echtgenote

Bij een belastingcontrole van een BV met een handel in bier, breezers en laag alcoholische dranken komt naar voren dat de man van de aandeelhoudster af en toe werkzaamheden voor deze BV verricht. De echtgenote zelf heeft elders een baan en doet eigenlijk niets voor haar BV. Volgens de man is zijn rol zeer beperkt, maar de Belastingdienst stelt vast dat hij wel degelijk meer doet en corrigeert zijn inkomen met het volle wettelijke fictieve loon. Hoe oordeelt de rechter?

Overwegingen rechter
Op grond van de wet geldt ten aanzien van iemand die in betekende mate arbeid verricht voor een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, dat het belastbare loon niet lager wordt gesteld dan op het uit de wet voortvloeiende bedrag. Dit geldt ongeacht of daadwerkelijk loon is ontvangen.

Vast staat dat de echtgenote aanmerkelijk-belanghouder was van de BV. Beslissend voor het geschil is daarmee of de man in betekende mate arbeid heeft verricht voor de BV. De bewijslast daarvan rust op de Belastingdienst.

Uit het rapport van het boekenonderzoek blijkt van activiteiten van de BV die noodzakelijkerwijs substantiële arbeid vergden, en voorts dat de BV geen personeel in dienst had noch anderszins werkkracht inhuurde. Tijdens de controle kon of wilde de echtgenote, ook op indringend verzoek van de Belastingdienst, niet antwoorden op vragen over het reilen en zeilen van de onderneming. Die vragen werden uiteindelijk steeds beantwoord door haar man. De echtgenote werkte op oproepbasis in de medische zorg. Van een werkkring van de man anders dan bij de BV is niet gebleken.

De man voert aan dat hij vanaf 2012 volledig is afgekeurd en een WIA-uitkering ontvangt, waardoor hij onmogelijk meer dan hand- en spandiensten heeft kunnen verrichten. Maar volgens de rechter blijkt dat laatste nergens uit. Ook blijkt nergens uit dat de echtgenote feitelijk volledig verantwoordelijk was voor de dagelijkse bedrijfsvoering.

Daarom acht de rechter aannemelijk dat de werkzaamheden die waren gemoeid met de onderneming van de BV in overwegende mate door de man werden verricht, en voorts dat deze van een zekere omvang waren.

Nu aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van gebruikelijk loon wordt voldaan, blijft over de vraag naar welk bedrag dit loon moet worden vastgesteld. Anders dan de man meent, behoeft de vaststelling van het gebruikelijk loon op het normbedrag van (destijds) € 44.000 in beginsel geen nadere toets of motivering. Het volgt rechtstreeks uit de wettekst. Dat bijvoorbeeld geen formele functie is vastgesteld en geen loon is betaald aan de man doet dus niet ter zake. De Belastingdienst hoeft ook niet aan te tonen dat de BV winst heeft gemaakt. De bewijslast dat het gebruikelijk loon op een lager bedrag moet worden vastgesteld, rust volledig op de man. Maar hiervoor levert hij geen enkele onderbouwing aan.

Conclusie
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De correctie is terecht toegepast.

Let op: Het wordt nog wel eens vergeten. Als een man in betekende mate werkzaamheden verricht voor de BV van zijn vrouw, geldt voor hem de fictief loonregeling in volle omvang.

Arbobudget thuiswerkplek vrijgesteld?Een werkgever heeft in zijn arboplan opgenomen dat thuiswerken op een arboverantwoo...
19/08/2026

Arbobudget thuiswerkplek vrijgesteld?

Een werkgever heeft in zijn arboplan opgenomen dat thuiswerken op een arboverantwoorde manier moet plaatsvinden. Iedere werknemer mag tot een bedrag van € 500 aan arbovoorzieningen voor thuis aanschaffen en declareren bij de werkgever. Is de vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing op de vergoeding?

Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst onlangs een standpunt gepubliceerd.

De werkgever is op grond van de Arbowet gehouden zorg te dragen voor arbovoorzieningen en de kosten voor zijn rekening te nemen. Als hoofdregel geldt daarom dat de vrijstelling niet kan worden toegepast als de werknemer een eigen bijdrage verschuldigd is.

De vrijstelling is van toepassing als de aangeschafte voorziening voldoet aan de arbowettelijke eisen en de vergoeding kostendekkend is. Als de vergoeding niet kostendekkend is, bijvoorbeeld omdat een deel van de kosten vanwege een overschrijding van het budget niet wordt uitbetaald, is de vrijstelling in beginsel niet van toepassing.

Dit is alleen anders als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer voor het gedeclareerde bedrag een goedkopere arbovoorziening met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen. In dat geval houdt de eigen bijdrage immers geen verband met de naleving van de arbowetgeving, maar ziet deze op het verschil tussen een voorziening die voldoet aan de specifieke richtlijnen voor plaatsonafhankelijke arbeid en een duurdere uitvoering hiervan. Het is dan enkel de persoonlijke keuze van de werknemer die ertoe leidt dat de gekozen arbovoorziening duurder is.

In een reeks van meerdere declaraties kan het zijn dat het totaalbedrag van de arbovoorzieningen meer bedraagt dan het budget dat door de werkgever ter beschikking is gesteld.

Voorbeeld
De werkgever stelt een bedrag van € 500 ter beschikking voor de aanschaf van arbovoorzieningen voor thuis. Een werknemer schaft aan: (1) een geschikte bureaustoel (€ 200), (2) een extra beeldscherm (€ 225) en (3) een noise-cancelling koptelefoon (€ 100) en declareert de kosten hiervan bij zijn werkgever.

Als de kosten van de verschillende arbovoorzieningen opeenvolgend worden gedeclareerd, is de vergoeding voor de bureaustoel en het beeldscherm gericht vrijgesteld. De vergoeding voor de koptelefoon is echter in beginsel belast, omdat de kosten van de koptelefoon – vanwege de budgetnorm – niet volledig voor rekening van de werkgever komen.
In het geval dat de verschillende kosten van de arbovoorzieningen gelijktijdig worden gedeclareerd, staat het de werkgever vrij om te kiezen aan welke voorziening de eigen bijdrage wordt toegerekend.
Als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer met bijvoorbeeld € 75 een koptelefoon met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen, is voor die voorziening geen sprake van een eigen bijdrage.

Let op: Een werkgever kan zijn verplichtingen op grond van de Arbowet niet nakomen door enkel een budget voor arbovoorzieningen toe te kennen aan zijn werknemers. Als de Arbowet hem verplicht tot het nemen van aanvullende maatregelen, is hij gehouden alle kosten hiervan voor zijn rekening te nemen.

Meer vrijheid voor werknemer door modernisering concurrentiebedingHet kabinet past het concurrentiebeding aan. Het moet ...
12/08/2026

Meer vrijheid voor werknemer door modernisering concurrentiebeding

Het kabinet past het concurrentiebeding aan. Het moet voor werknemers makkelijker worden om van baan te wisselen. Dit wordt nu te veel beperkt doordat te veel werknemers een concurrentiebeding hebben. Ook voor werkgevers is het daardoor moeilijker om personeel aan te trekken. Vandaar het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding. Wat zijn de hoofdlijnen?

Een concurrentiebeding is een afspraak voor werknemers die geldt als zij vertrekken naar een volgende baan. Zo kan een werknemer na het einde van het contract niet gelijk bij de concurrent aan de slag. Ook een relatiebeding dat verbiedt om te werken voor of bij relaties van de voormalige werkgever valt hieronder. Het doel van deze afspraken is om te voorkomen dat werknemers cruciale informatie meenemen die het bedrijf kunnen schaden, zoals bedrijfsgeheimen of klantgegevens.

Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van het concurrentiebeding is verdubbeld. Inmiddels heeft een derde van de werknemers ermee te maken. Vaak is hier geen reden voor, want veel van hen werken niet met bedrijfsgeheimen of klantgegevens. In die gevallen is het dus onterecht om een concurrentiebeding te gebruiken. Dit wordt vaak toch opgenomen door werkgevers om te voorkomen dat personeel naar de concurrent vertrekt. Dit belemmert de doorstroom op de arbeidsmarkt.

De voorgestelde wet scherpt de bestaande regels voor het concurrentiebeding aan:

Een concurrentiebeding kan maximaal één jaar effect hebben na het einde van de arbeidsovereenkomst.
Het gebied waarin de werknemer niet mag werken vanwege het concurrentiebeding moet worden vermeld.
Het zwaarwegende bedrijfs-of dienstbelang voor een concurrentiebeding moet worden gemotiveerd voor alle arbeidsovereenkomsten (dus niet alleen voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten, zoals nu het geval is).
Een werkgever moet de werknemer een vergoeding betalen wanneer een beroep op het concurrentiebeding wordt gedaan.
De vergoeding bedraagt 50% van het laatstverdiende maandloon, voor elke maand dat het concurrentiebeding wordt ingeroepen. Wordt het beding bijvoorbeeld voor zes maanden ingeroepen, dan heeft de werknemer recht op een vergoeding van drie maanden loon.
Het streven is om het wetsvoorstel eind 2026 aan te bieden aan de Tweede Kamer.

Tip: Loop in de komende periode uw arbeidsovereenkomsten al vast na en breng de wijzigingen in kaart die het wetsvoorstel met zich meebrengt.

Gebruikelijk loon zieke DGADe man van een eigenares van een schoonheidssalon richt een holding en een werkmaatschappij o...
04/08/2026

Gebruikelijk loon zieke DGA

De man van een eigenares van een schoonheidssalon richt een holding en een werkmaatschappij op en neemt de schoonheidssalon, inmiddels failliet, over. Hij heeft in de BV slechts een adviserende en coachende rol. Maar hij correspondeert wel namens de BV met de Belastingdienst. De echtgenote ontvangt uit de BV een salaris van € 26.500. Kort na de overname wordt de man ernstig ziek. De Belastingdienst legt hem een aanslag op met een gebruikelijk loon van € 26.500. Hoe oordeelt de rechter?

Standpunt man
De man stelt dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de BV, zodat niet aan de vereisten voor gebruikelijk loon is voldaan. De werkzaamheden die hij wel heeft verricht, zijn geschied op arbeidstherapeutische basis. Verder betoogt hij dat van een lager gebruikelijk loon moet worden uitgegaan.

Overwegingen rechter
Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het van dat lichaam genoten loon (het gebruikelijke loon) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam;
€ 45.000 (Destijds! In 2026: € 58.000).
Vaststaat dat de man een aanmerkelijk belang heeft in BV en dat de echtgenote de meestverdienende werknemer van de BV is met een jaarloon van € 26.500. Daarom heeft de Belastingdienst het gebruikelijk loon van de man gesteld op € 26.500.

De man betoogt dat hij geen arbeid heeft verricht voor de BV en dat daarom de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Gelet op deze betwisting dient de Belastingdienst te bewijzen dat de man wel arbeid voor de BV heeft verricht. Dat is geslaagd: de man heeft namelijk met de Belastingdienst gecorrespondeerd over fiscale zaken en dus administratieve werkzaamheden verricht, hoe gering ook. Verklaringen van de huisarts en echtgenote over de gezondheidstoestand van de man doen er niet aan af dat hij deze werkzaamheden heeft verricht, zodat deze verklaringen het bewijs niet aantasten.

Vervolgens mag de man bewijzen dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Met de enkele verwijzing naar de verklaringen van de huisarts en zijn echtgenote is de man niet in deze bewijslast geslaagd. Anders dan hij stelt, kan uit deze verklaringen bovendien niet worden afgeleid dat hij om medische redenen slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat is waarmee geen loon kan worden genoten.

Slotsom
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De aanslag is terecht opgelegd.

Let op: De wettelijke regeling rond het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder bevat een bewijsvolgorde. Deze dient serieus te worden genomen, zo blijkt ook weer uit deze uitspraak.

Definitief geen rechtsherstel box 3 voor niet-bezwaarmakers (2017–2020)Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak geda...
29/07/2026

Definitief geen rechtsherstel box 3 voor niet-bezwaarmakers (2017–2020)

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de procedure Massaal Bezwaar Plus. Deze procedure geldt voor iedereen die geen of te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het box 3-inkomen over 2017 tot en met 2020. Volgens de Hoge Raad hebben deze niet-bezwaarmakers geen recht op rechtsherstel box 3. Wat zijn hiervan de gevolgen?

Niet-bezwaarmakers mogen hun werkelijk rendement over 2017-2020 niet doorgeven
Mensen die geen of te laat bezwaar hebben gemaakt, hebben volgens de Hoge Raad geen recht op rechtsherstel. Zij mogen daarom het formulier Opgaaf werkelijk rendement voor 2017 tot en met 2020 niet invullen.

De uitspraak geldt ook voor:

mensen die niet hebben meegedaan aan het massaal bezwaar
mensen die niet alle jaren meededen aan het massaal bezwaar
mensen die te laat een verzoek tot vermindering deden
Collectieve uitspraak op verzoeken om ambtshalve vermindering (2017-2020)
In vervolg op het arrest van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst op 17 juli 2026 in een collectieve uitspraak alle lopende verzoeken afgewezen en alle lopende bezwaren ongegrond verklaard. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.

Tip: Hebt u box 3-inkomen? Dan mag u voor de jaren 2021 tot en met 2024 wel het formulier Opgaaf werkelijk rendement invullen.

Compensatieregeling transitievergoeding vervalt.Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor ...
28/07/2026

Compensatieregeling transitievergoeding vervalt.

Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever.

Het vorige kabinet had al voorgesteld om de compensatie als gevolg van ontslag bij arbeidsongeschiktheid bij grotere werkgevers af te schaffen. In het coalitieakkoord van het huidige kabinet staat dat de compensatie voor alle werkgevers verdwijnt. Het kabinet kiest ervoor om de compensatieregelingen per 1 januari 2027 af te schaffen, ook voor kleine werkgevers.

Transitievergoeding
De hoogte van de transitievergoeding bij ontslag wordt bepaald op basis van twee onderdelen: het maandsalaris en de duur van het dienstverband. De vergoeding is per 1 januari 2026 maximaal € 102.000 bruto, of, als het jaarsalaris hoger is dan € 102.000, maximaal 1 bruto jaarsalaris.

Let op: In het coalitieakkoord is afgesproken dat ook de transitievergoeding zelf hervormd wordt. Deze moet mensen nog meer gaan helpen bij het begeleiden van werk naar werk. Zo wordt er gekeken of werkgevers die tijdig en voldoende hebben geïnvesteerd in bijscholing, omscholing of zich maximaal inzetten rondom de re-integratieverplichtingen uit de Wet poortwachter, lagere tot helemaal geen verplichtingen hebben ten aanzien van de nieuwe transitievergoeding. Hiervoor is echter nog geen voorstel gepubliceerd.

Auto van de zaakVanaf 1 januari 2027 verandert de fiscale regeling voor auto's van de zaak. Heeft uw onderneming werknem...
22/07/2026

Auto van de zaak

Vanaf 1 januari 2027 verandert de fiscale regeling voor auto's van de zaak. Heeft uw onderneming werknemers die een auto van de zaak rijden? Dan is het belangrijk om nu al rekening te houden met deze wijziging.

Wat verandert er?

Stelt u vanaf 1 januari 2027 een benzine-, diesel- of hybride auto ter beschikking aan een werknemer die de auto ook privé mag gebruiken? Dan moet uw onderneming jaarlijks een extra belasting van 12% van de cataloguswaarde van de auto betalen.

Deze nieuwe heffing komt bovenop de bestaande fiscale regels. De werknemer blijft dus, als dat van toepassing is, de gebruikelijke fiscale bijtelling betalen.

De wet bepaalt bovendien dat deze extra belasting niet op de werknemer mag worden verhaald. De volledige heffing komt daarom voor rekening van de werkgever.

Voor volledig elektrische auto's geldt deze extra belasting niet.

Een rekenvoorbeeld

Een werknemer krijgt in 2027 een benzineauto van de zaak met een cataloguswaarde van € 50.000.
• Cataloguswaarde: € 50.000
• Werkgeversheffing: 12%
• Extra belasting voor de werkgever: € 6.000 per jaar
• Dat komt neer op € 500 per maand
Deze € 6.000 komt bovenop de bestaande kosten van de auto, zoals leasekosten, afschrijving, onderhoud, verzekering en brandstof. De werkgever mag deze extra belasting niet doorberekenen aan de werknemer. Daarnaast blijft de werknemer – als aan de voorwaarden voor bijtelling is voldaan – de gebruikelijke fiscale bijtelling verschuldigd.

Overgangsregeling

De nieuwe regeling geldt niet direct voor alle auto's van de zaak.

Voor benzine-, diesel- en hybride auto's die uiterlijk op 31 december 2026 al aan een werknemer ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto's is de nieuwe werkgeversheffing voorlopig niet van toepassing. Volgens het huidige wetsvoorstel loopt deze overgangsregeling tot 1 januari 2031.

Krijgt een werknemer daarentegen vanaf 1 januari 2027 voor het eerst een benzine-, diesel- of hybride auto van de zaak, dan is de werkgever vanaf dat moment wél de nieuwe heffing van 12% verschuldigd.

Bent u toch van plan om binnen afzienbare tijd een auto van de zaak te vervangen? Dan kan het verstandig zijn om te beoordelen of het fiscaal aantrekkelijk is de nieuwe auto nog vóór 1 januari 2027 aan de werknemer ter beschikking te stellen.

Wat betekent dit voor uw onderneming?

De nieuwe regeling kan de kosten van een wagenpark aanzienlijk verhogen. Daarom is het verstandig om tijdig stil te staan bij vragen als:

• Welke auto's vallen straks onder de nieuwe regeling?
• Is vervanging van een auto vóór 1 januari 2027 fiscaal aantrekkelijk?
• Is een volledig elektrische auto een goed alternatief?
• Wat betekenen de nieuwe regels voor de totale kosten van uw wagenpark?
Wij denken graag met u mee

De nieuwe regeling kan grote financiële gevolgen hebben voor uw onderneming. Door tijdig inzicht te krijgen in de gevolgen, kunt u mogelijk onnodige kosten voorkomen.

Heeft u één of meerdere auto's van de zaak? Neem dan gerust contact met ons op. Wij beoordelen graag wat de nieuwe regels voor uw onderneming betekenen en adviseren u over de mogelijkheden om de fiscale gevolgen zo beperkt mogelijk te houden.

Hebt u een vakantiewoning in Nederland die u gaat verhuren?De Belastingdienst heeft een handreiking opgesteld die specif...
22/07/2026

Hebt u een vakantiewoning in Nederland die u gaat verhuren?

De Belastingdienst heeft een handreiking opgesteld die specifiek is gericht op het onderwerp btw en vakantiewoning. Hieronder vindt u een overzicht van alle aandachtspunten, met een praktijkvoorbeeld om de regels te verduidelijken

Hebt u een vakantiewoning in Nederland en gaat u deze verhuren? Dan moet u over de huuropbrengsten 21% btw berekenen, tenzij u deelneemt aan de kleineondernemersregeling (KOR). U kunt btw terugvragen op kosten die u maakt voor de verhuur. Denk bijvoorbeeld aan de btw die mogelijk in rekening is gebracht op de factuur voor de aankoop van de woning of aan facturen die u ontvangt voor bijvoorbeeld de inrichting van de woning, het onderhoud of voor gas, water en elektriciteit.

Hierna gaan we alleen in op de btw die ziet op de aanschaf van een vakantiewoning die voor de btw 100% zakelijk is aangemerkt.

Aanmelden als ondernemer
Voor het afdragen en het terugvragen van btw hebt u een btw-nummer nodig. Daartoe meldt u zich aan bij de Belastingdienst met het formulier Opgaaf Startende Ondernemer (niet ingeschreven in het handelsregister). Voor de verhuur van een vakantiewoning hoeft u zich niet in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Aankoop met of zonder btw?
De aanschaf van een vakantiewoning is niet in alle gevallen belast met btw. Als u de woning koopt van iemand die deze niet verhuurde en daardoor geen btw-ondernemer is, wordt geen btw in rekening gebracht.

Ook als de verkoper wel btw-ondernemer is, kan het zijn dat er geen btw in rekening wordt gebracht. De verkoop van een onroerende zaak is in principe namelijk vrijgesteld van btw. Dat is anders als het gaat om een nieuwe onroerende zaak, dit wil zeggen een onroerende zaak die nog niet in gebruik is genomen of die minder dan 2 jaar geleden in gebruik is genomen. Als een nieuwe onroerende zaak wordt verkocht, is de verkoop belast met btw.

Er is 1 uitzondering: als de levering in principe is vrijgesteld van btw, omdat het geen nieuwe woning is, kunnen de koper en de verkoper er samen voor kiezen om de levering toch te belasten met btw. In dat geval moeten ze wel voldoen aan de voorwaarden, de btw wordt dan verlegd naar de koper. Dit kan bijvoorbeeld als voordeel hebben dat de verkoper in het verleden afgetrokken btw niet hoeft terug te betalen.

Het kan ook voorkomen dat de vakantiewoning niet als onroerend maar als roerend wordt aangemerkt. In dat geval is de verkoop door een btw-ondernemer altijd belast met btw. Vakantiewoningen worden voor de omzetbelasting overigens vaak als onroerende zaak beschouwd.

Als u een vakantiewoning gaan kopen om die te verhuren, is het belangrijk om vast te stellen of de verkoop belast is met btw of niet. Btw die u bij de aanschaf betaalt, kunt u immers (gedeeltelijk) terugvragen als wordt voldaan aan de algemene voorwaarden.

Btw terugvragen over de aanschaf
Als u btw hebt betaald over de aanschaf van de vakantiewoning, is het belangrijk om te bepalen of en zo ja hoeveel btw u kunt terugvragen. Hierbij zijn 3 zaken van belang:

Wordt de vakantiewoning verhuurd?
Is er sprake van een roerende of onroerende zaak?
Maakt u ook privé gebruik van de woning?
Roerende zaak
Als sprake is van een roerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alle btw die drukt op de aanschaf van de woning in aftrek brengen. Het maakt daarbij niet uit of u de woning ook privé gebruikt. In het jaar van ingebruikname en de 4 daaropvolgende jaren moet u bekijken of een correctie moet worden aangebracht voor privégebruik.

Onroerende zaak
Als sprake is van een onroerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alleen alle btw af*****en als geen sprake is van privégebruik. Gaat u de woning ook gebruiken voor privédoeleinden, dan wordt het aftrekrecht meteen beperkt. Is het gebruik van de woning bijvoorbeeld 20% privé en 80% zakelijk, dan kunt u maximaal 80% van de btw af*****en. Als er sprake is van privégebruik, kunt u dus niet alle btw af*****en.

Voor een onroerende zaak geldt dat in het jaar van ingebruikname en de daaropvolgende 9 jaren moet worden gekeken of het oorspronkelijk ingeschatte privégebruik overeenstemt met het werkelijke privégebruik. Als het privégebruik in de jaren 2 tot en met 9 afwijkt van het werkelijk privégebruik in jaar 1 (het jaar van aanschaf), moet u dit corrigeren. Voor deze correctie geldt een drempel van 10%, zie onderstaand voorbeeld. Dit kan leiden tot een extra teruggaaf bij minder privégebruik, of tot een gedeeltelijke terugbetaling van de afgetrokken btw bij meer privégebruik.

Hoe werkt het in de praktijk?

In het volgende voorbeeld gaat het om een onroerende vakantiewoning.

Aankoop vakantiewoning maart 2026:
prijs: € 150.000
btw: € 31.500
Verwacht gebruik bij aanschaf:
10% privégebruik
90% verhuur
Werkelijk gebruik in 2026:
20% privégebruik
80% verhuur
Gebruik in 2027:
100% verhuur
Gebruik 2028:
15% privégebruik
85% verhuur
Gebruik 2029 tot en met 2034:
Gelijk aan situatie 2026
Gebruik 2035:
30% privégebruik
70% verhuur
Bij aanschaf van de woning wordt verwacht dat u de woning voor 90% zakelijk gebruikt. Er kan in het 1e kwartaal 2026 90% van € 31.500 = € 28.350 aan btw worden afgetrokken. Een onroerend investeringsgoed wordt in het jaar van ingebruikname plus de 9 jaren daaropvolgend gevolgd.

Aan het eind van 2026 blijkt dat de woning 20% privé is gebruikt en 80% zakelijk. In de laatste aangifte van 2026 moet u dan € 3.150 aangeven als te betalen btw. Het recht op aftrek over 2026 is 80% van € 31.500 = € 25.200. Omdat oorspronkelijk € 28.350 is teruggevraagd, moet u het verschil terugbetalen.

Van de btw die u bij aankoop heeft betaald (€ 31.500) rekent u 10% toe aan elk van de 9 jaren na het jaar van ingebruikname. Dat is € 3.150 per jaar. Ook van de btw die u in het jaar van ingebruikname per saldo hebt teruggevraagd (€ 25.200), rekent u 1/10 deel toe aan elk van deze 9 jaren. Dat is € 2.520 per jaar.

Hoe werkt de herziening tijdens de 9 jaren na het jaar van ingebruikname?
In de jaren 2027 tot en met 2035 moet u steeds aan het eind van het jaar vaststellen hoeveel u de woning in dat kalenderjaar privé heeft gebruikt. Dit heet de herzieningsperiode.

Er zijn 3 mogelijkheden:

U gebruikt de woning evenveel privé als in het jaar van aanschaf.
U gebruikt de woning minder vaak privé dan in het jaar van aanschaf. U mag voor dat kalenderjaar extra btw terugvragen.
U gebruikt de woning vaker privé dan in het jaar van aanschaf. U moet voor dat kalenderjaar een deel van de btw terugbetalen.
En na de herzieningsperiode?
Als de herzieningsperiode voorbij is heeft u geen correctie voor privégebruik meer.

U mag de btw alleen herzien als het bedrag dat u extra mag terugvragen of moet bijbetalen, méér is dan 10% van het afgetrokken btw-bedrag dat aan dat jaar is toegerekend. In het voorbeeld wordt aan elk kalenderjaar € 2.520 toegerekend. U herziet de btw dus alleen als het herzieningsbedrag hoger is dan € 252.

Voor de jaren 2027 tot en met 2035 uit het voorbeeld betekent dit:

2027
In het jaar 2027 is geen sprake van privégebruik. Daarom heeft u recht op de volledige btw van de aanschaf die aan 2027 is toe te rekenen (€ 3.150). Van de afgetrokken btw is € 2.520 aan 2027 toegerekend. U hebt dus recht op een aanvullende aftrek. Het verschil tussen € 3.150 en € 2.520 is € 630. Dat bedrag trekt u in de laatste btw-aangifte van het jaar alsnog af in rubriek 5b.
2028
In 2028 heeft u de woning 15% privé gebruikt en 85% zakelijk. Bij 85% zakelijk gebruik hoort een aftrek van (85% van € 3.150) € 2.678. Er is aan dit jaar €2.520 aan aftrekbare btw toegerekend. Het verschil van € 158 kunt u niet herzien omdat het minder is dan 10% van € 2.520.
2029 tot en met 2034
In deze jaren is het gebruik gelijk aan 2026. U corrigeert niet voor privégebruik. Het recht op aftrek voor deze jaren is € 2.520 per jaar en dat is gelijk aan het bedrag dat aan deze jaren is toegerekend.
2035
In 2035 heeft u de woning 30% privé gebruikt en 70% zakelijk. Bij 70% zakelijk gebruik hoort een aftrek van (70% van € 3.150) € 2.205. Van de afgetrokken btw is € 2.520 aan 2035 toegerekend. U moet het verschil van € 315 in de btw-aangifte over het laatste aangiftetijdvak van het jaar 2035 opgeven in rubriek 1a.
Tip: Zoals u hebt gelezen, is de btw-situatie rond de verhuur van een vakantiehuis behoorlijk gecompliceerd. Uiteraard zijn we u graag van dienst bij een correcte verwerking van alle btw-aspecten.

Vrijgestelde vergoedingen verblijfskosten bij dienstreizenIn de cao Rijk staan verblijfkostenvergoedingen die gelden voo...
22/07/2026

Vrijgestelde vergoedingen verblijfskosten bij dienstreizen

In de cao Rijk staan verblijfkostenvergoedingen die gelden voor ambtenaren op dienstreis. Maar een werkgever kan deze ook toepassen voor andere werknemers, als zij vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. De handreiking hierover is geactualiseerd en aangevuld met praktijkvoorbeelden. Hierna gaan we in op het onderdeel binnenlandse dienstreizen.

Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan verblijfkostenvergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekennen aan eigen werknemers. De werkgever hoeft dan geen onderzoek te doen naar de werkelijke kosten. Wel moet de werkgever aannemelijk kunnen maken dat deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als een ambtenaar op dienstreis.

Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren houdt in dat de werknemer met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd als een ambtenaar op dienstreis. Dit is aannemelijk als wordt voldaan aan 2 voorwaarden. Er moet sprake zijn van:

gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.
De aard van de functie is hierbij van belang. Informatie over de functies binnen de Rijksoverheid vindt u op nl.
een dienstreis. In de cao Rijk is de definitie van een dienstreis als volgt: ‘een door de werkgever noodzakelijk geachte reis en verblijf in verband met het verrichten van werkzaamheden op een andere locatie dan de eigen werklocatie’.
Of aan deze 2 voorwaarden wordt voldaan, hangt af van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.

Voorbeeld: Een bouwvakker werkt aan een project op een locatie binnen een andere gemeente. Een bouwvakker wordt in het algemeen met andere kosten geconfronteerd, omdat een bouwvakker zijn werkzaamheden onder andere omstandigheden verricht dan een ambtenaar op dienstreis. Een bouwvakker zal bijvoorbeeld op de bouwplaats zelf lunchen. De bouwvakker verkeert vanuit kostenoogpunt daarom niet in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis. Ook zou de vraag gesteld kunnen worden of sprake is van een dienstreis. Dit staat ter beoordeling van de inspecteur.

Verblijfkosten maken
Een werknemer verkeert vanuit kostenoogpunt niet in gelijke omstandigheden als hij (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt. Maakt de werknemer wel kosten, dan is het niet noodzakelijk dat deze gelijk zijn aan de (gericht vrijgestelde) vergoeding.

Voorbeeld: Een ambtenaar op dienstreis heeft recht op een vergoeding van € 7,35 voor kleine uitgaven overdag bij een dienstreis naar een andere gemeente van minimaal 4 uur. Hiervan is € 6,56 (bedrag 2026) gericht vrijgesteld. Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan ook € 6,56 gericht vrijgesteld vergoeden onder deze voorwaarden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Hiervan is geen sprake als de werknemer tijdens de dienstreis daadwerkelijk (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt.

Toepassen cao Rijk
Verderop in deze handreiking leest u waarop een werkgever moet letten als deze de cao Rijk toepast voor een werknemer. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.

Voorwaarden in cao Rijk
Past een werkgever de verblijfkostenvergoedingen toe uit de cao Rijk, dan moet de werkgever dit doen volgens de voorwaarden van de cao Rijk. Een werknemer kan in aanmerking komen voor een verblijfkostenvergoeding voor een binnenlandse dienstreis als de dienstreis voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:

De dienstreis duurt minimaal 4 uur.
De bestemming van de dienstreis ligt in een andere gemeente of op minimaal 1 kilometer afstand van de werklocatie van de werknemer.
In de cao Rijk vindt u meer informatie over de voorwaarden voor dienstreizen in het binnenland. In deze handreiking zijn deze niet allemaal genoemd. Past u de cao Rijk toe, dan moet u zich dus houden aan deze voorwaarden.

Onderdelen verblijfkostenvergoeding
Hieronder ziet u uit welke onderdelen de verblijfkostenvergoeding bestaat en welke aanvullende voorwaarden hiervoor gelden. Ook leest u wat de hoogte is van de vergoedingen vanaf 1 januari 2026 en tot welke bedragen deze gericht zijn vrijgesteld.

Kleine uitgaven overdag

Geen aanvullende voorwaarden
Vergoeding € 7,35
Gericht vrijgesteld € 6,56
Kleine uitgaven ’s avonds

Hierop heeft de werknemer recht als hij aansluitend ook overnacht vanwege de dienstreis.
Vergoeding € 21,92
Gericht vrijgesteld € 13,12
Logies

Dit geldt per overnachting als de werknemer hiervoor toestemming heeft van de werkgever.
Vergoeding € 164,52
Gericht vrijgesteld € 162,74
Ontbijt

Dit geldt als de werknemer de nacht daarvoor heeft overnacht vanwege de dienstreis.
Vergoeding € 16,07
Gericht vrijgesteld € 16,07
Lunch

Dit geldt voor iedere periode van 12.00 tot 14.00 uur die binnen de dienstreis valt.
Vergoeding € 22,19
Gericht vrijgesteld € 12,97
Avondmaaltijd

Dit geldt voor iedere periode van 18.00 tot 21.00 uur die binnen de dienstreis valt.
Vergoeding € 33,57
Gericht vrijgesteld € 32,56
Logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd
Voor logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd geldt als voorwaarde voor de vergoeding dat de werknemer kosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid. Dit is een algemeen toegankelijke gelegenheid die logies en/of maaltijden en/of dranken ter consumptie aanbiedt. Voorbeelden hiervan zijn een café, restaurant of hotel.

Hoogte vergoedingen binnenlandse dienstreizen
De vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen zijn tot bepaalde bedragen gericht vrijgesteld. In 2026 bedraagt de lunchvergoeding bijvoorbeeld € 22,19. Deze is gericht vrijgesteld tot € 12,97. De vergoeding boven € 12,97 kunt u tot het loon van de werknemer rekenen of als eindheffingsloon aanwijzen. Kiest u voor aanwijzen als eindheffingsloon, dan moet aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan. Dit bedrag valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.

Niet verplicht dezelfde vergoedingen betalen
Een werkgever die aansluit bij de cao Rijk, hoeft niet alle vergoedingen te betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. Zo kan een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven maar geen vergoeding voor kleine uitgaven overdag. Ook mag een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven van € 10.

Voorbeeld vergoeding binnenlandse dienstreis
Een werkgever bepaalt dat een werknemer recht heeft op een lunchvergoeding van € 15 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis van de werknemer voldoet aan de voorwaarden. Ook heeft de werknemer verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid.

Van de lunchvergoeding van € 15 kan de werkgever € 12,97 (2026) gericht vrijgesteld vergoeden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Het bedrag van € 2,03 dat overblijft, is loon voor de werknemer of kan de werkgever aanwijzen als eindheffingsloon. Er moet dan wel aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan.

Adres

Curieweg 4a
Spijkenisse
3208KJ

Openingstijden

Maandag 08:00 - 17:00
Dinsdag 08:00 - 17:00
Woensdag 08:00 - 17:00
Donderdag 08:00 - 17:00
Vrijdag 08:00 - 17:00

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Heine & Van Oosten nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar Heine & Van Oosten:

Snelkoppelingen

Delen