10/06/2026
Opzettelijke onttrekken van minderjarige kinderen aan bevoegd opzicht door met haar kinderen van 10, 8 en 5 jaren oud naar Portugal te verhuizen, terwijl kinderen door kinderrechter onder toezicht zijn gesteld van instelling, art. 279.1 Sr. 1. Bewijsklacht opzet op onttrekken aan opzicht. 2. Verweer dat toezichthoudende gecertificeerde instelling geen verhuisverbod mag opleggen.
Ad 1. Onder ‘onttrekken’ aan wettig over minderjarige gesteld gezag of aan opzicht van degene die dit daartoe bevoegd over minderjarig uitoefent, valt het brengen of houden van minderjarige buiten bereik van dat gezag of dat opzicht (vgl. HR:1953:75 en HR:1956:49).
Aan oordeel dat verdachte opzet had op onttrekken van kinderen aan opzicht, heeft hof ten grondslag gelegd dat verdachte wist van ondertoezichtstelling, dat in betreffende uitspraak (van kinderrechter) genoemde voorwaarden helder waren, dat verdachte het opzicht van instelling feitelijk onmogelijk heeft gemaakt door, bij vertrek naar buitenland, geen contact te onderhouden met instelling en geen verblijfplaats door te geven en dat niet aannemelijk is dat verdachte ervan uitging dat uitschrijving bij instelling bekend zou worden en automatisch overdracht aan Portugese instanties in gang zou worden gezet. Dat oordeel is, in het licht van ’s hofs vaststellingen in zijn bewijsvoering, niet onbegrijpelijk.
Ad 2. Klacht dat hof heeft miskend dat gecertificeerde instelling (gelet op recht op vrijheid van verplaatsing a.b.i. art. 2.2 Vierde Protocol bij EVRM) geen verhuisverbod kan opleggen, berust op verkeerde lezing van ‘s hofs arrest. Uit ’s hofs vaststellingen volgt immers dat ondertoezichtstelling, gelet op uitspraak van kantonrechter en daarin opgenomen voorwaarden, niet verhuisverbod betreft, maar erop is gericht dat ook in geval van (eventuele) verhuizing naar buitenland de gecertificeerde instelling in staat is opzicht uit te oefenen.
Zoeken in uitspraken