14/09/2026
Mag de minister een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd onthouden op basis van de nieuwe wetgeving?
De raad van state zal hierover op 5 oktober een zitting houden.
Maandag 5 oktober 2026
11.00 uur
Over het overgangsrecht bij afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde tijd
In het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2026 (NL25.51185 en NL25.51186) houdt de Afdeling bestuursrechtspraak een zitting over het overgangsrecht bij de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De artikelen 33 tot en met 35 van de Vw 2000, waarin de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd was geregeld, zijn met ingang van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 vervallen. Die maatregel kent geen overgangsrecht, wat betekent dat de minister van Asiel en Migratie ook bij aanvragen die voor 12 juni 2026 waren ingediend, geen verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd meer verleent. Op de zitting zal de Afdeling bestuursrechtspraak ingaan op het overgangsrecht en de belangen van de vreemdelingen met een lopende aanvraag. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd gevolgen heeft voor toekomstige verblijfsrechten. Verder komt aan bod in hoeverre Verordening 2024/1347 (de Kwalificatieverordening) zich verzet tegen een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In deze zaak gaat het om de aanvragen van twee echtgenoten voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank heeft de besluiten van de minister vernietigd en hem opgedragen om nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen. Volgens de minister is die opdracht van de rechtbank onjuist, omdat hij geen verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd meer kan verlenen. (BRS.26.003907)