30/04/2026
De inzet van kroongetuigen is een van de meest ingrijpende én risicovolle instrumenten in het strafrecht. Het recente wetsvoorstel tot verruiming van de kroongetuigenregeling laat zien welke richting wordt gekozen: meer ruimte om verklaringen te verkrijgen binnen criminele netwerken, ook bij minder zware delicten. Vanuit opsporingsperspectief is dat begrijpelijk. Tegelijkertijd roept het fundamentele vragen op over de betrouwbaarheid van bewijs. Want waar verklaringen tot stand komen onder invloed van een tegenprestatie, ontstaat onvermijdelijk spanning met de waarheidsvinding.
Niet per se door bewuste leugens, maar door inkleuring, aanvulling en het risico dat verklaard wordt naar wat ‘verwacht’ wordt.
De zwembadmoord in Marum heeft laten zien hoe mis het kan gaan wanneer controlemechanismen tekortschieten. Juist tegen die achtergrond is het relevant om stil te staan bij de vraag wat een verdere verruiming betekent - nog vóórdat deze daadwerkelijk wordt ingevoerd.
In mijn nieuwste artikel zet ik uiteen hoe de kroongetuigenregeling juridisch is ingericht, welke (forensische) risico’s eraan kleven, wat de lessen zijn uit de zwembadmoord en wat het wetsvoorstel betekent voor de praktijk.
Eén conclusie staat voor mij centraal: waar bewijs ontstaat onder invloed van een tegenprestatie, kan betrouwbaarheid nooit worden verondersteld - die moet altijd kritisch worden geanalyseerd en onderzocht.
Ik ben benieuwd hoe anderen hiernaar kijken, met name vanuit de strafrechtpraktijk.
🔗 Link naar het artikel in bio