20/08/2026
⚖️ Gerechtelijke dwaling… of een botsing tussen twee rechterlijke beslissingen?
Een bijzondere zaak uit mijn praktijk.
Voor een cliënt heb ik eerder het faillissement aangevraagd van een natuurlijke persoon die borg stond voor de betaling van een contractuele boete wegens het niet afnemen van onroerend goed.
In eerste instantie werd verweer gevoerd: de borgtocht zou door de echtgenote zijn vernietigd op grond van artikel 1:88 BW. In hoger beroep werd dat verweer vervolgens ingetrokken.
Na verloop van tijd werd het faillissement beëindigd door een slotuitdelingslijst. Daaruit leek te volgen dat slechts de preferente schuldeisers waren voldaan. Voor mijn cliënt resteerde dus een aanzienlijk bedrag.
Namens mijn cliënt ben ik vervolgens gaan dagvaarden voor het restant.
Tijdens de zitting kwam de wederpartij plotseling met een nieuw standpunt: de vordering van mijn cliënt zou tijdens de verificatievergadering zijn betwist.
Dat heb ik bij gebrek aan wetenschap betwist.
Navraag bij de rechtbank leverde vervolgens iets opmerkelijks op: de vordering van mijn cliënt was tijdens de verificatievergadering helemaal niet betwist. Andere vorderingen waren wel betwist.
Dat betekent dat de vordering van mijn cliënt, voor zover het de verificatie betreft, als erkend heeft te gelden en zonder renvooiprocedure in kracht van gewijsde is gegaan.
Met de grosse van het proces-verbaal van de verificatievergadering ben ik vervolgens tot executie overgegaan.
En toen kwam het volgende hoofdstuk.
De rechtbank wijst de vordering van mijn cliënt alsnog af. Het eerdere beroep op artikel 1:88 BW wordt alsnog gehonoreerd en mijn cliënt wordt bovendien veroordeeld in de proceskosten.
Het resultaat?
Twee rechterlijke beslissingen die moeilijk met elkaar te verenigen lijken.
Enerzijds een verificatie waarin de vordering niet is betwist en die daarmee definitief lijkt te zijn vastgesteld. Anderzijds een later vonnis waarin wordt geoordeeld dat diezelfde vordering niet bestaat.
En dan rijst de principiële vraag:
Wanneer twee rechterlijke beslissingen elkaar tegenspreken, welke beslissing heeft dan voorrang?
En misschien nog belangrijker: wat doe je als advocaat wanneer je cliënt op basis van een gerechtelijke beslissing rechtmatig tot executie overgaat, maar een andere rechter later tot een tegenovergesteld oordeel komt?
Is dit een kwestie van gerechtelijke dwaling? Of zit hier een ingewikkelder procesrechtelijk probleem achter?
Ik ben benieuwd hoe andere procesadvocaten hiernaar kijken. 👇
Call now to connect with business.